Klein Duimpje
verhaal door Marij M. Sloothaak
tekeningen: Coos Storm
Er was eens
arm houthakkersgezin. Met vader, moeder en zeven zonen woonden ze in een klein
huisje in een groot, donker bos. In dit bos hoorde je 's nachts enge geluiden.
Gekraak. Gilletjes. Gegrom... De jongste zoon van het gezin heette Klein Duimpje.
Hij had deze rare naam, omdat hij bij zijn geboorte níet groter was dan een
duim. Hij was niet groot. Wel heel slim. Het
houthakkersgezin was zo arm, dat op een dag zelfs de aller- allerlaatste kruimel
brood op was. Wat een ellende. Met hongerige buikjes moesten de kinderen die
nacht naar bed.
'Nachts hoorde Klein Duimpje
zijn ouders samen praten.
"We moeten de kinderen naar het bos brengen, vrouw", zei zijn vader.
"We hebben niet genoeg
te eten voor allemaal. Bovendien, in het bos kunnen ze bosbessen eten, en beukennoten
en zo..."
Oh nee! dacht Klein Duimpje. "Naar dat enge bos!"
Hij dacht snel na. Hij wilde helemaal niet naar het bos! In het bos, daar wonen
wilde dieren, heksen, slangen en reuzen misschien. Vlug wipte hij zijn bed uit.
Buiten pakte hij een handvol witte kiezelsteentjes van het pad en stopte ze
in zijn zak. Glimlachend viel hij in slaap...
De volgende oc
htend
nam vader zijn kinderen mee het bos in. Dieper en dieper en dieper...
Voorzichtig liet Klein
Duimpje één voor één de kiezelsteentjes op de grond
vallen. Plots was vader verdwenen. Klein Duimpje volgde het spoor van de kiezelsteentjes,
en na een dag waren de kinderen weer thuis. Gelukkig had zijn vader weer wat
geld verdiend, dus was hij blij hen te zien. Maar op een dag was al het geld
weer helemaal op. Ook dit keer besloot de vader de kinderen naar het bos te
brengen. 's Ochtends kregen de kinderen allemaal nog een homp brood om hun ergste
honger te stillen. Klein Duimpje bewaarde wat brood in zijn zak.
En
hij strooide met broodkruimels een spoor, om de weg weer terug te kunnen vinden...
Maar ach, de volgende morgen
hadden alle vogels hadden het brood opgegeten. Moedeloos dwaalden de zeven broers
door het bos. Tot ze bij een huisje kwamen. Een vrouw deed open.
"Snel, ga weg" zei ze. Mijn man is een reus. Een echte menseneter!"
Maar het was al te laat. De reus kwm thuis. "Wrouaaaaaaah!!!!!!" brulde
hij. "Wat is dat? Ik ruik mensenvlees! Vrouw, waar zijn ze! Ik heb trek!"
Hij volgde zijn neus en ontdekte de sidderende jongetjes onder het bed. Hij
stopte ze in een kooi, en deed de kooi met een sleutel stevig dicht. "Mmmmm,"
zei hij. "Dat wordt een heerlijk ontbijt!" Toen viel hij in een diepe
slaap.
Nu
had de reus ook zeven dochters. Eén van die dochters kreeg erge medelijden met
de dappere jongens. Ze kroop uit bed en opende de kooi met een sleutel. De broertjes
ontsnapten bliksemsnel uit het huis. Toen de reus de ontsnapping ontdekte, werd
hij RAZEND. Hij pakte zijn Zeven Mijls Laarzen en snelde de broers achterna.
Onderweg werd hij een beetje moe. Hij besloot even een dutje te gaan doen. Toen
Klein Duimpje de slapende reus zag trok hij hem stiekem zijn laarzen uit. Toen
trok hij zelf de laarzen aan... en daar gingen ze, razendsnel. In de Zeven Mijls
laarzen.
Toen ze bij het kleine houthakkershuisje kwamen hoorden ze hun moeder huilen.
"Mijn kinderen, mijn zeven jongens. Waar zijn ze! Papa heeft nu een baan
bij de koning. Eten genoeg! Ik heb zo'n spijt." Glimlachend deed Klein
Duimpje de deur open.
"Hier zijn we, mam!" En toen...kom, we laten ze met rust. Want knuffels,
kusjes en nog eens kusjes... maken alles weer goed.