Deel
2:
Door Marij M. Sloothaak:'s Middags
komen ze in een dorpje met een grote fontein op het
dorpsplein. Dat komt goed uit, want ze hebben hun voeten
nog niet gewassen. En Wolf, de goudvis heeft ook wel zin
in een verzetje. Spoedig springt hij als een echte
dolfijn door de fontein. Wolf is overigens gek op
gedroogde appel. Ze zitten net lekker met hun tenen te
wiebelen,
als er een postbode aankomt. "Bent u Kabeljauw Op
Zoek Naar Het Nut Van De Wereld?" vraagt hij.
" Hier, een brief". En de postbode slingert
zijn been over zijn fiets en rijdt weg.
" Een brief " zegt Kabeljauw, "ik heb nog
nooit een brief gekregen." Zenuwachtig maakt hij hem
open. Het zijn drie velletjes... en op elk papiertje
staat maar één woord. Het Op het eerste velletje
staat:
Zoek
op het tweede velletje staat:
naar
op het derde velletje:
jezelf!
Zoek...naar...jezelf! bromt Kabeljauw. "Wie weet er
nou dat ik hier ben" zegt hij. "Wie weet er nou
dat ik op zoek ben naar het Nut Van De Wereld ? Hum,
onzin," zegt Kabeljauw en hij trekt zijn sokken aan.
"Ik heb trouwens wel eens zin in iets anders dan
appeltjes. Een lekker gebraden kipje of zo. Kom je mee,
Wolf?"
Maar Wolf heeft nog zin in een rondje zwemmen, dus laten
ze hem maar even gaan.
"Daar,
bij die boerderij moeten we zijn" zegt Kabeljauw,
"daar ruik ik Kip In Het Pannetje." Ze lopen
het erf op.
Er stappen wel honderd kippen en een stuk of twaalf
jongetjes rond. In de deuropening staat een forse boerin
haar handen af te drogen aan een rood-wit geblokt schort.
"Ha, Kabeljauw" zegt ze, "het eten staat
klaar".
"Kom" zegt Kabeljauw en hij duwt Kristal naar
binnen. "Maar Kabeljauw," stottert ze,
"hoe wist de boerin nou dat je zou komen?"
"Weet ik niet" Kabeljauw haalt zijn schouders
op. "Maar ik moet zeggen, ik verbaas me nergens meer
over. Ik heb honger, daar gaat het om.
"Weet je," mompelt hij evem later met volle
mond, "het leven is nog niet zo slecht als je naar
Het Nut Van de Wereld zoekt. Dat ik dít niet eerder heb
gedaan." Hij veegt het vet met z'n mouw af.
"Nog even een dutje in de hooiberg, en dan gaan we
zo verder".
Kristal
wordt wakker van Kabeljauw die met een hooisprietje in
haar neus kriebelt. "Hatsjie", doet ze.
"Is het al zo laat?" "Kom" grinnikt
Kabeljauw "we pikken Wolf op, en we gaan." Dan
bedanken ze de boerin voor haar gastvrijheid, en geven
haar twaalf zonen ieder een gedroogd appeltje.
Op weg naar het dorpsplein struikelen ze over de eerste
kat. Het is een dikke rooie kat, met maar drie pootjes.
De poes sleept zich doelbewust voort. Onderweg komen ze
nog 13 zwarte katten tegen, die, twee aan twee, op weg
zijn naar het dorpsplein. Al gauw ziet het zwart van de
katten. Witte katten, zwarte katten, rooie katten en
andere katten. "Vreemd" zegt Kabeljauw terwijl
hij per ongeluk op een kattestaart trapt. "Pas op
waar je je voeten neerzet, Kristal", roept hij,
terwijl hij met een zakdoekje de bloedende krabben van
zijn been afveegt. "Kijk eens" roept Kristal,
"kijk eens op het dorpsplein, bij de fontein."
Er staan wel honderd katten bij de fontein. En op de rand
van de fontein lopen er minstens 20. En allemaal loeren
ze in in het water. "Honderdtwintig
katten!" roept Kabeljauw, "en ze staan te
vissen! Ze willen Wolf opeten!"
"Hum" peinst hij terwijl hij achter zijn oor
krabt, "als ik er doorheen loop, dan villen ze me
levend, dat overleef ik niet. We moeten iets verzinnen.
|
|