Deel
3:
Door Marij Sloothaak "Wacht
even Kristal!" en hij klimt in een grote, eeuwenoude
eik. "Ik heb het! Poes, poes, poes, poes,
poes," roept hij.
"Poes, poes, poes, poes... hier.... lekkere
Kabeljauw. Poes, poes, poes, zalige Kabeljauw, veel
lekkerder dan goudvis.
De eerste katten spitsen hun oortjes. "Kabeljauw?
Lekkere kabeljauw?" Er komen een paar katten in
beweging. En er volgen er meer. Eerst aarzelend, en dan
vastberaden stappen ze naar de boom. Al gauw staat er
niet één kat meer bij de fontein. Nee, ze staan
allemaal rond de oude eik omhoog te loeren, naar
Kabeljauw. "Kristal! Red Wolf!", roept
kabeljauw, "doe hem in het zakje, en maak dat je
wegkomt. Ik zie je wel in het volgende dorp".
"Maar Kabeljauw", zegt Kristal, en jij
dan?" .
"Tja, dat is even een probleempje," zegt
Kabeljauw, terwijl hij naar beneden, naar de hongerige,
bloeddorstige katten kijkt.
Als een kat eenmaal zijn prooi in de gaten heeft, dan
laat hij niet meer los. Dat merkt Kabeljauw ook. Hij
heeft alles al geprobeerd. Hij heeft ze staan
uitschelden: "Stomme rotpoes, riep hij. "Snert
kat, ga naar je moeder".
De katten gaan er ècht even voor zitten. Hé, dit wordt
leuk! Ze spitsen hun oortjes en poetsen hun snorharen.
"Ik roep de kattenmepper hoor!" roept
Kabeljauw.
"Of de dierenambulance!"
Maar de katten geven geen krimp. Dan probeert hij ze te
raken met de gedroogde appeltjes.
Hij piest ze zelfs op hun kop.
"Ik moet iets verzinnen.." denkt Kabeljauw,
"zoiets als de kat uit de boom kijken, maar dan
andersom. Misschien kan ik straks ontsnappen, als het
donker is..."
Maar daar vergist Kabeljauw zich in. Want katten zijn
nachtdieren. Dus juist 's nachts voelen ze zich
opperbest.
Als het nacht wordt kijkt Kabeljauw naar beneden. Hij
kijkt nu in 240 verlichte kattenoogjes.
"Toe nou... Ik smaak niet eens lekker. Ik ben geen
kabeljauw, maar een mens. Ik heb jullie voor het lapje
gehouden, stelletje lachwekkende lapjeskatten. En Mens
lusten jullie niet, echt niet. Het smaakt naar niets. Ga
toch liever muizen vangen, doe iets nuttigs."
Dan rekt hij zich geeuwend uit. "Goed dan" zegt
hij tegen de katten. "Jullie je zin. Blijf daar maar
lekker staan. Maar ìk ga even lekker slapen."
De
volgende morgen wordt hij wakker van een dikke
regendruppel die in zijn oog spettert.
"Ook dat nog", denkt hij, "begint het ook
nog te plenzen." Hij zet de kraag van zijn jas op en
kijkt naar beneden.
De katten schudden hun pels, en kijken verstoord naar
boven. Dan, één voor één maken ze zich uit de voeten.
"Dat is het natuurlijk!" roept Kabeljauw.
"Katten zijn bang voor water. Dat had ik zelf niet
beter kunnen bedenken." Kabeljauw laat zich snel
naar beneden zakken, en begint te rennen, het dorp uit.
En hij rent zo hard, dat hij binnen een minuut in het
volgende dorp is.
"Ben je daar eindelijk!", Kristal zit op
een boomstronk haar lange haren te kammen. "Ik begon
me al ongerust te maken! En ik heb ook honger, de
appeltjes zijn op."
" Allemaal?" vraagt Kabeljauw.
"Ja, allemaal!" doet Kristal pruilend, "de
hele oogst van vorig jaar. Hoe moet ik dat aan mijn tante
vertellen."
"Dat is voor later een zorg, er is werk aan de
winkel weet je nog?"
"Ach, dat Nut Van De Wereld interesseert me helemaal
niet meer" snikt Kristal "Ik wil naar huis. Ik
wil in bad en in bed. En ik wil bloemkool eten met
saucijsjes, en zelfgemaakte appelmoes. Ik eet zelfs
spruitjes als het moet!" Stampvoetend loopt ze rond.
"Ik wil niet naar het Nut Van De Wereld, ik wil naar
huis!"
"Dat kan wel waar zijn," zegt Kabeljauw,
terwijl hij met een stokje tussen zijn tanden peutert.
"Maar zó komen we er niet, nergens."
"Dat is waar," Kristal haalt haar neus op en
komt naast hem zitten. "Het heeft geen zin om in de
put te gaan zitten. Hoewel..." zegt ze opeens;"
ken je dat verhaal van de toverput? "
"Nee," zegt Kabeljauw. "Moet dat?"
"Het verhaal van die toverput... die boordevol met
rijstepap en gehaktballen zit....en met suikerspin en
appelbollen? Ken je dat echt niet? " Kristal begint
bijna weer te stampvoeten.
"Domoor! Die bestaat echt!"
"Ach kom" Kabeljauw draait zijn rug naar haar
toe. Toverput! Meiden! Hij gluurt door zijn oogharen in
de verte. Plots verslikt hij zich. "Kristal,"
zegt hij hoestend: " ik zie een put." "Een
waterput. Kom mee."
|
|