Deel
5:
Door Marij Sloothaak
Na een tijdje komt Kabeljauw bij een maïsveld. Hij heeft
honger. Hij rukt een van de kolven van de steel, en zet
zijn tanden in de zoete maïskorrels. "Hmmm...
heerlijk!" Stevig kauwend kijkt hij wat om zich
heen.
Er hangen een heleboel vogels boven de maïsvelden.
"Ook honger zeker," grinnikt hij. Flats! Voor
hij een volgende hap van de maïskolf kan nemen, valt er
een enorme, dikke, kleverige, stinkende massa op zijn
kop. Het is poep!
Als Kabeljauw de smurrie uit zijn ogen heeft gehaald,
kijkt hij naar boven. "Een albatros!" roept
hij. "Er zit me gewoon een albatros op mijn hoofd te
kakken!"
"Ja,"
snavelt de albatros, "en als je niet oppast, doe ik
het nog n keer!"
"Maar waarom, waaróm in vredesnaam??!!"
"Gewoon, vin ik lekker" zegt de vogel en hij
maakt zich klaar voor de volgende voltreffer.
"Nee!" roept Kabeljauw. "Maffe braadkip!
Ik ga al."
En stinkend en druipend gooit hij Kristal over zijn rug,
en trekt verder.
Nu
heb ik twee problemen, denkt hij.
1.
Ik moet van die smurrie af.
2. Ik moet Kristal wakker zien te krijgen.
Ik
moet dus op zoek naar een beekje met zacht ruisend water.
Want :
A. Daar kan ik me in wassen.
B. Daar gooi ik Kristal in, zodat ze wakker wordt.
Het
beekje is snel gevonden. En de kak is er zó af. Maar
Kristal is een ander probleem. Zelfs na honderd
onderdompelingen snurkt ze rustig door.
"Honderd..." denkt Kabeljauw. "Honderd
jaar. Nee toch, ze gaat toch geen honderd jaar
snurken!"
Hij voelt iets kriebelen aan zijn been. En nog iets! En
weer iets! Als hij beter kijkt ziet hij een stuk of
twintig rupsen over zijn been lopen.
"HÈ! twintig rupsen!" zegt hij.
"Wat moet dat?" .
|